Een docent in het voortgezet speciaal onderwijs gaat op de eerste werkdag na de kerstvakantie van 2010 aan de slag. Het lijkt een gewone schooldag als alle andere te worden, maar het loopt anders. In de loop van de ochtend ontstaat onenigheid tussen twee leerlingen die al langer niet goed met elkaar kunnen opschieten.

De docent wil één van beide leerlingen mee uit het lokaal nemen, zodat hij niet langer een prikkel was voor de andere leerling die agressor was. De andere leerling laat het er niet bij zitten en besluit tot handelen over te gaan. Hij stormt op zijn klasgenoot af die aan de overzijde van het lokaal is. Op weg daar naartoe valt zijn oog op een 1,5 liter pak met frisdrank waar op dat moment nog maar enkele slokken uit gedronken zijn (het pak weegt dus nog bijna 1,5 kilogram) en hij gooit het pak van een afstand van circa 2 á 3 meter met volle kracht richting zijn klasgenoot. Het pak raakt echter een “verkeerd” slachtoffer, namelijk: de docent, die tussen beide leerlingen in staat. Deze wordt in zijn nek geraakt door het pak frisdrank en loopt een hersenschudding en beschadigingen aan de spieren in de nek- en schoudergordel op. Daarnaast voelt hij zich vanaf dat moment minder op zijn gemak voor de klas als hij aan het werk is, ondanks dat hij al jarenlang in het onderwijs werkzaam is en niet eerder met fysieke agressie werd geconfronteerd.

Vanwege de gemaakte kosten in verband met het letsel besluit de docent, na lezing van het Onderwijsblad, Schut|Oosting Letselschade in te schakelen omdat hij als lid van de Algemene Onderwijsbond aanspraak heeft op gratis rechtshulp.

De aansprakelijkheidsverzekeraar van de ouders van veroorzaker wordt aangesproken. Die vindt dat er weliswaar aansprakelijkheid is, maar er wordt geen dekking verleend en dus geen betaling verricht. Reden: volgens de verzekeraar is er opzettelijk gehandeld en dan vervalt de verzekeringsdekking. Daarmee neemt Schut|Oosting Letselschade geen genoegen; uiteindelijk wordt na een langdurige discussie een bindend adviseur aangesteld die oordeelt dat het beroep op de uitsluiting niet terecht is. Hij wijst er daarbij nadrukkelijk op dat juist kwetsbare personen, zoals de leerling in de onderhavige kwestie, de mogelijkheid moeten hebben zich tegen aansprakelijkheid te kunnen verzekeren. Gelukkig wordt de docent dan alsnog schadeloos gesteld voor de gemaakte kosten en de geleden pijn en ongemakken.

In deze kwestie liep het voor de docent relatief goed af omdat hij zich had voorzien van deskundige juridische bijstand, maar het kan voorkomen dat wel terecht een beroep op een uitsluiting wordt gedaan vanwege opzet. Daarom is het verstandig dat schoolbesturen, zeker in het voortgezet onderwijs, naast een collectieve ongevallenverzekering (deze geeft slechts aanspraak op eenmalige uitkering die vaak veel lager is dan de daadwerkelijke schade), zich oriënteren op voorzieningen als een AVB-vangnetverzekering of een zogeheten agressieverzekering die wel dekking kunnen bieden onder deze omstandigheden. Dit onder meer vanwege het goed werkgeverschap waar zij toe gehouden zijn.

Beide verzekeringen zijn ingegeven door de veranderingen in de maatschappij, waar mondigheid steeds vaker uitmond in agressie. Dit is een ontwikkeling die niet kan worden gestuurd door werkgevers in het onderwijs, maar zij kunnen wel zorgen voor een goed voorzieningenniveau zodat de docenten niet in de kou blijven staan als er onverhoopt sprake is van agressie dan wel geweld.